Let op je woorden

Denk jij wat je zegt?

Ik heb mijn kinderen geleerd om, wanneer ze iets niet lusten, te zeggen dat ze het niet lekker vinden.

“Ik vind spruitjes niet lekker papa.”

Toen ik laatst een volwassen man in onze gym “het kraanwater is hier vies” hoorde zeggen, was ik daar oprecht verbaasd over.

Niet zo zeer vanwege de smaak van het kraanwater – hoewel ik dat voor de zekerheid toch gecheckt heb. Nee, ik was verbaasd over de manier waarop hij het zei.

Als je niet direct in de gaten hebt wat ik bedoel, lees dan vooral verder.

Taal is een van de factoren die de mens in staat gesteld heeft zich te ontwikkelen tot ‘de dominante’ soort op aarde. We kunnen ermee met andere mensen communiceren, plannen maken en informatie vastleggen.

Het is een overkoepelende vaardigheid waar we, als we er eenmaal enigszins bekwaam in zijn, vaak niet meer bewust bij stilstaan.

Dat laatste is waar het mis kan gaan. Taal speelt zo’n belangrijke rol in ons leven dat het ook onze manier van denken beinvloed. We zeggen wat we denken en we denken wat we zeggen.

Het werkwoord ‘zijn’ is hier een heel krachtig voorbeeld van.

Wanneer we het werkwoord ‘zijn’ gebruiken, doelen we hiermee (onbewust) meestal op een onveranderlijk feit of verband.

Het kraanwater is vies wordt hiermee een absolute waarheid.
Ik vind kraanwater vies, daarentegen is een mening.

‘Ik ben,’
‘hij/zij/het is’
‘zij zijn’

De wereld waarin wij leven is relatief. Dat betekent dat iets alleen kan bestaan bij de gratie van iets anders.

Blauw wordt gedefinieerd door alles wat niet blauw is.
Goed wordt gedefinieerd door alles wat niet goed is.
Vies wordt gedefinieerd door alles wat niet vies is.

In onze wereld bestaan er geen absolute waarheden, simpelweg omdat de fysieke wereld niet absoluut is.

Het werkwoord ‘zijn’ moet dus eigenlijk worden voorzien van de bijsluiter: ‘Vanuit dit perspectief en in deze context.’

Het kraanwater is vies vanuit dit perspectief en in deze context.

Immers, als de persoon in kwestie moest kiezen tussen een glas kraanwater en een glas slootwater, dan is het kraanwater (hopelijk) ineens niet meer vies.

Waarom is dit belangrijk?

In de voorbeelden die ik tot nu toe genoemd heb, is het taalgebruik redelijk onschuldig.

Echter, wanneer ik zeg dat jij een loser bent – dan kan het ineens een stuk minder onschuldig worden.
Of nog erger; stel dat jij zelf zegt dat je een loser bent.

‘Ik ben een loser!’

Wanneer je nooit hebt stilgestaan bij de kracht van taal heb je zojuist een moeilijk te veranderen beeld in je brein verankerd.

Dit komt tot uiting wanneer je probeert om een doel te behalen dat belangrijk voor je is.

Stel dat je het belangrijk vind om aan je conditie te werken. Vol enthousiasme start je een programma, maar 3 maanden later heeft ‘de normale gang van zaken’ weer de overhand genomen met als resultaat dat je stopt met het programma.

Wanneer dat 1x gebeurt, is het meestal niet zo erg. Maar stel dat dit al de 10e poging was. Iedere keer start je vol goede moed en iedere keer stop je na een tijdje.
Misschien voelt het als mislukken, totdat je op een gegeven moment misschien de conclusie trekt dat het aan jou ligt.

‘Ik ben nou eenmaal niet sportief.’

Je hebt ‘niet sportief’ onderdeel gemaakt van je identiteit, waardoor het ineens een stuk moeilijker geworden om het te veranderen.

Ik daag je bij deze uit uit om eens te letten op je taalgebruik, met name over de dingen waar je niet tevreden over bent. Hoe praat (en dus denk) je hierover en lukt het je om hier in een minder absolute manier over te spreken? ‘Ik vind…’ versus ‘Het is…’

WIL JIJ MEER UIT JE LEVEN HALEN?DOWNLOAD EEN GRATIS HOOFDSTUK VAN MIJN BOEK.

Download dan snel het GRATIS hoofdstuk van mijn boek waarin je de DROOM-methode leert!

DOWNLOAD